Fokprogramma / Vitaliteitstest
Deutsch
English
Français
Nederlands
donderdag, januari 18, 2018

Vitaliteitstest

Het vermogen van de bijen om zonder hulp van de imker met de varroamijt te overleven, laat zich met de twee geteste tolerantiekenmerken ‘ontwikkeling van de besmetting met mijten’ en ‘uitruimgedrag’ maar beperkt beschrijven, want het gaat hier om hulpkenmerken. Een directe test op varroatolerantie zou immers resulteren in het verlies van de teeltpopulatie. De vitaliteitstest is een poging om geselecteerde volken voor een bepaalde tijdsperiode en onder gecontroleerde omstandigheden aan die directe test op varroatolerantie te onderwerpen.

In de prestatietoets onderscheiden volken zich door behandelde broedcellen bijzonder snel uit te ruimen en slechts een beperkte groei van de mijtenpopulatie toe te laten. Als dergelijke volken ook voor andere kenmerken bovengemiddeld zijn en vanaf begin juli (week 27) minder dan 2% mijtbesmetting vertonen, worden ze in onze vitaliteitstest verder beoordeeld.  

Terwijl de prestatietoets met de laatste honingoogst eindigt, worden volken in de vitaliteitstest nog tot het uitwinteren in het volgende voorjaar gecontroleerd. Ze moeten de winter sterk en zonder behandeling tegen varroa doorstaan. Centraal in het waarnemen staan de ontwikkeling van het volk en van de mijtenbesmetting. Aanvullend wordt ook gelet op de gevoeligheid voor virussen en andere infecties.
Ideaal voor de vitaliteitstest is een afgelegen standplaats waar herinfectie door varroamijten niet plaatsvindt.

Varroamijten vermeerderen zich zolang het bijenvolk broed heeft. Gelijktijdig kan de bijenpopulatie aan het eind van de zomer meer of minder krimpen, afhankelijk van de omvang van het broed en het aandeel aangetaste bijen. Beide criteria, varroabesmetting en de bijenpopulatie in de kast beïnvloeden de overwinteringskans aanzienlijk. Daarom worden vanaf week 32 beide kenmerken om de 3 weken beoordeeld. Tot week 41 (begin oktober) wordt de grootte van het volk vier keer geschat aan de hand van de bezette raten (het aantal straten) en wordt een monster bijen afgenomen om de varroabesmetting te meten. In week 35 wordt bovendien een monster bijen genomen voor onderzoek naar virus- en Nosemabesmetting.

Uit vroeger onderzoek zijn schadedrempels bekend voor de mijtenbesmetting op de momenten van monstername. Wanneer een volk de schadedrempel overschrijdt, wordt het voortijdig uit de test genomen en behandeld. Volken met minstens 10.000 bijen en een varroabesmetting bij de laatste waarneming in oktober onder de 10% hebben een reële kans de winter te overleven.

Het belangrijkste resultaat van de vitaliteitstest is de overwinteringsindex. Dat is de verhouding tussen het aantal bijen dat uitwintert ten opzichte van bij de inwintering en zou in de buurt van de 1 moeten liggen.

De vitaliteitstest is een proeftijd onder hoge besmettingsdruk. Volken die onder deze omstandigheden een hoge wintervastheid hebben zijn het meest geschikt om als teeltvolk in AGT verder te mogen.